Veel gehoorde vragen over 'klimaat & meteo'

Hier geven we antwoord op een aantal lastige vragen over klimaatverandering, met extra aandacht voor het grensgebied tussen klimaat en weer: van mondiale temperatuurtrends tot zomerse buien en Hollandse schaatswinters.

  1. Het klimaat op aarde is altijd aan veranderingen onderhevig geweest. Wordt de huidige klimaatverandering niet veroorzaakt door natuurlijke factoren?
  2. Als het op aarde steeds warmer wordt, hoe kunnen dan de koude winters van 2009, 2010, 2011 en 2013 worden verklaard?
  3. Hoe veel warmer wordt het nog?
  4. Wat gebeurt er als het 2 graden warmer wordt?
  5. Wat heeft klimaatverandering voor invloed op het weer?
  6. Hoe verandert het klimaat in Nederland?
  7. Wat is het verband tussen klimaatverandering en El Niño & La Niña?
  8. Wat is het verband tussen klimaatverandering en orkanen?
  9. Nemen weergerelateerde natuurrampen toe?
  10. Krijgen we nog een Elfstedentocht?

1. Het klimaat op aarde is altijd aan veranderingen onderhevig geweest. Wordt de huidige klimaatverandering niet veroorzaakt door natuurlijke factoren?

Kort antwoord: nee. De invloed van natuurlijke (astronomische en geologische) variatie is veel kleiner dan die van de snel stijgende concentratie broeikasgassen.

De invloed van natuurlijke klimaatfactoren is te gering om de gemeten snelle opwarming te verklaren. De snelle stijging van de concentratie broeikasgassen levert daarentegen wél overtuigend bewijs. De meest genoemde natuurlijke factor, zonnevariabiliteit, zorgt voor temperatuurveranderingen binnen een marge van ongeveer 0,1 graden Celsius. De recente fase in de zonnecyclus zou bovendien hebben moeten leiden tot een (zeer lichte) afkoeling – en niet tot de waargenomen opwarming.

Andere natuurlijke klimaatfactoren, zoals de Milankovitch-variabelen (stand van de aarde ten opzichte van de zon) en geologische factoren, zoals de ligging van continenten, laten pas een sterke invloed zien op tijschalen van tienduizenden tot miljoenen jaren.

Er zijn echter ook twee natuurlijke klimaatfactoren die wél heel duidelijk zichtbaar zijn in de mondiale klimaatgrafiek: (grootschalig) tropisch vulkanisme en de afwisseling van El Niños en La Niñas, ook wel de El Niño Southern Oscillation (ENSO) genoemd.

Beide factoren zijn echter niet van invloed op de lange termijn trend van klimaatverandering. Na explosief vulkanisme rond of in de tropen zorgt een verhoogde concentratie aerosolen in de atmosfeer voor een tijdelijke, meetbare afkoeling.

Ook tijdens La Niña-jaren is het gemiddeld meetbaar iets koeler, terwijl de mondiale temperatuur tijdens jaren met een El Niño juist iets boven de trendlijn uit piekt.

De mondiale temperatuurgrafiek is daarmee in hoofdzaak een optelsom van de grafieken van tropisch vulkanisme, ENSO en de atmosferische concentratie van broeikasgassen, zoals CO2 en methaan. ENSO en vulkanisme zorgen daarbij voor schommelingen, terwijl de broeikasgassen de trendlijn binnen de temperatuurgrafiek tekenen.

[Terug]

2. Als het op aarde steeds warmer wordt, hoe kunnen dan de koude winters van 2009, 2010, 2011 en 2013 worden verklaard?

Kort antwoord: klimaat draait om de gemiddelden. Gemiddeld was (wereldwijd) van kou geen sprake.

Het klimaat is nog steeds niets anders dan het gemiddelde van het weer. Terwijl het gemiddelde langzaam omhoog beweegt, zijn uitersten ónder het gemiddelde nog steeds heel goed mogelijk.

De genoemde koude winters laten zich meteorologisch bovendien eenvoudig verklaren. Ze werden veroorzaakt door een negatieve fase in de zogeheten Arctische Oscillatie, een belangrijk weerbepalend drukpatroon op het noordelijk halfrond.

Koude lucht vanaf de Noordpool zakt tijdens zo’n ‘negatieve AO’ over het aardoppervlak af naar lagere (bewoonde) breedtegraden in Noord-Amerika of Europa. Tegelijk beweegt zachte lucht dan hoog door de atmosfeer richting Groenland en de Noordelijke IJszee, waar in beide winters juist recordhoge temperaturen werden gemeten.

Voor het mondiale gemiddelde maken dergelijke herverdelingen van kou en warmte weinig uit. Ondanks de relatief koude winter in Nederland en bijvoorbeeld de VS werd wereldwijd in 2010 het warmste jaar tot nog toe gemeten.

(Het begrip ‘koud’ blijkt bovendien afhankelijk van perceptie. In 2009-2010 lag er bovenal veel sneeuw, terwijl in de daaropvolgende winter de kou beperkt bleef tot december. Echte ‘Elfstedenkou’ bleef in beide winters buiten zicht, terwijl de Elfstedentocht tijdens een korte felle koudegolf in februari 2012 ineens dichtbij kwam.)

[Terug]

3. Hoe veel warmer wordt het nog?

Kort antwoord: Als de concentratie broeikasgassen in dit tempo blijft stijgen kan het in deze eeuw in het slechtste geval gemiddeld nog 5 graden warmer worden. De VN wil de 21e eeuwse klimaatverandering echter beperken tot ‘niet meer dan 2 graden’. Het is echter onwaarschijnlijk dat dit lukt.

De verwachte temperatuurstijging hangt af van politieke en economische scenario’s, die de verdere stijging van de concentratie broeikasgassen bepalen.

Daarnaast moet worden meegewogen dat het klimaatsysteem met een bepaalde traagheid reageert – door de hoge halfwaardetijd van CO2 en door allerlei bufferwerkingen, bijvoorbeeld van de oceanen.

Deze thermische traagheid ligt momenteel rond 40 jaar. Dit houdt in dat de smelt van zee-ijs die wij momenteel waarnemen rond de Noordpool, het gevolg is van de verhoogde CO2-uitstoot tot pakweg 1970.

Aangezien de uitstoot sindsdien is verdubbeld, hebben we ook nog (grofweg) een verdubbeling aan ‘minimale klimaatverandering’ in de pijplijn.

In het theoretische scenario waarin we de uitstoot van broeikasgassen per morgen naar nul reduceren, zouden we daarmee uitkomen op een totale gemiddelde opwarming rond 1,6 graden gemiddeld.

De bovengrens voor de temperatuurstijging gaat uit van een scenario met onverminderd hoge uitstoot (en toenemend voor de opkomende economieën), versterkt door positieve terugkoppelingen in het klimaatsysteem, zoals methaanemissies boven de ontdooiende toendra. In dit scenario is zelfs 5 graden temperatuurstijging tot 2100 een reële mogelijkheid.

De internationale gemeenschap (G8, VN, G21) heeft tot officieel doel gesteld de opwarming te beperken tot ‘niet meer dan 2 graden’. Om hier nog een reëel uitzicht op te houden, moet volgens het laatste IPCC-rapport (2013) de concentratie broeikasgassen worden gestabiliseerd op niet meer dan 500 ppm CO2-equivalenten.

Dit vereist verregaande emissiereducties voor het jaar 2020 en een minimale halvering van de mondiale uitstoot tot 2050. Anno 2013 neemt de mondiale uitstoot van broeikasgassen nog elk jaar toe (met zelfs een versnelling in de trend).

Tot slot kunnen er grote lokale verschillen optreden in de temperatuurstijging. Boven het relatief grote oppervlak van de oceanen en rond de evenaar verloopt deze iets trager, maar bijvoorbeeld rond de Noordpool wordt elke temperatuurstijging nog flink uitvergroot door allerlei terugkoppelingen in het klimaatsysteem. Zelfs wanneer de gemiddelde mondiale temperatuurstijging beperkt blijft tot 2 graden, kan de gemiddelde temperatuur boven Groenland en de Noordelijke IJszee met meer dan 6 graden stijgen.

[Terug]

4. Wat gebeurt er als het 2 graden warmer wordt?

Kort antwoord: De internationale gemeenschap wil de klimaatverandering beperken tot niet meer dan 2 graden. Ook in dat scenario zullen er grote veranderingen optreden in weerpatronen, zal er rond de polen nog veel ijs smelten en dreigt veel biodiversiteit verloren te gaan.

Bij een klimaatverandering van 2 graden gemiddeld treden er lokaal grotere veranderingen op in het weer – die verhoudingsgewijs de grootste schade veroorzaken. Dit draagt er toe bij dat het beeld van de schade van 2 graden opwarming in de samenleving vaak een onderschatting is van de scenario’s die blijken uit het klimatologische onderzoek.

De precieze gevolgen van een mondiale temperatuurstijging van 2 graden zijn moeilijk te voorzien, maar de verschillende modelstudies en paleoklimaatvergelijkingen bevestigen wel een aantal belangrijke (gemiddelde) hoofdlijnen:

  • Vrijwel volledige smelt van het zee-ijs (tijdens zomer) op de Noordpool
  • Kritieke ecologische schade (plankton, vissen, schaal- en schelpdieren) van oceaanverzuring (bij CO2 rond 450 ppm – geen temperatuur-effect)
  • Afsterven merendeel koraalriffen (door opwarming (verbleking) in combinatie met verzuring)
  • Sterke toename hittegolven in subtropen en op gematigde breedten
  • Grote afname gebergtegletsjers (langzaam proces)
  • Belangrijke bijdrage aan ‘zesde massa-extinctie’ (uitsterven >75% hogere biodiversiteit), door verdwijning volledige ecosystemen en bijvoorbeeld sterke aantasting van tropische regenwouden.
  • Lokale verwoestijning (ook ten noorden van steenbokkeerkring en ten zuiden van kreeftskeerkring)
  • Veranderende moesson (sterk onvoorspelbaar, maar mogelijk grote gevolgen)
  • Netto afname landbouwproductiviteit (innovatieve technieken niet meegewogen)
  • Grootschalige ijssmelt op Groenlandse en West-Antarctische ijskap, met traag inzettende zeespiegelstijging tot gevolg, die bij 2 graden opwarming (op basis van paleoklimaatinzichten) regionaal al meerdere meters kan bereiken. De snelheid van dit proces is echter erg onzeker – en de maximale zeespiegelstijging zal ook in 2100 nog niet zijn bereikt.

[Terug]

5. Wat heeft klimaatverandering voor invloed op het weer?

Kort antwoord: De gevolgen op het weer kunnen alleen in grote lijnen worden beschreven. Door een toename van zowel verdamping als neerslag neemt de ‘intensiteit van het weer’ wereldwijd toe. Droge gebieden worden gemiddeld droger, natte gebieden worden natter en op veel plaatsen neemt de kans op weersextremen aanzienlijk toe.

De precieze effecten van klimaatverandering op het weer zijn lastig te voorzien, omdat het weer van dag tot dag z’n grilligheid behoudt. Toch zijn er onder invloed van klimaatverandering specifieke patronen zichtbaar in het weer – en kunnen we veel meer zeggen dan dat enkel de temperatuur omhoog schroeft.

Bij een verschuiving van het gemiddelde veranderen de kansen op verschillende weertypen wereldwijd. Dat merken we vooral ‘aan de randen’ van ons klimaat. De weerbepalende factoren, zoals neerslag, wind en temperatuur, volgen een zogeheten normale verdeling / bekend van de klokvormige ´Gauss-kromme’. Meestal hebben we te maken met situaties die dicht in de buurt van het gemiddelde liggen. Situaties met storm, hitte, wateroverlast of droogte liggen langs de randen van de grafiek – waar de kans op het weerbeeld afneemt tot minder dan een procent.

Een schijnbaar kleine verschuiving van de gemiddelde waarde, bijvoorbeeld 2 graden temperatuurstijging, brengt geheel nieuwe weertypen binnen het bereik van de normale verdeling. En de kans op situaties met droogte, hitte of wateroverlast kan daarbij – puur statistisch bekeken – verveelvoudigen. Daaruit valt af te leiden dat alhoewel klimaatverandering een verschuiving van het gemiddelde weer is, wij dit het meest zullen merken aan de verschuiving rond de weersextremen – die een veelvoud vaker zullen voorkomen.

Het belangrijkste mechanisme waarlangs een gemiddelde temperatuurstijging ook leidt tot veranderende weerpatronen is een algemene toename van de verdamping, wereldwijd.

In regio’s met een netto opwaartse luchtstroming, bijvoorbeeld in de zogeheten intertropische convergentiezone (ITCZ), die gedurende het jaar in noordelijke en zuidelijke richting over de evenaar heen en weer schuift, zal als gevolg hiervan de jaargemiddelde neerslag verder intensiveren.

Gebieden met dominante hogedruksituaties, zoals de woestijngebieden in de subtropen, zullen naar waarschijnlijkheid juist te maken krijgen met toenemende droogte.

Ook is het mogelijk dat de geografische schaal van de algemene circulatie toeneemt, waardoor bijvoorbeeld het zuiden van Europa een toenemende kans op droogte en bosbranden heeft gedurende de zomermaanden (en bijvoorbeeld het Spaanse binnenland kan verwoestijnen).

Bovendien kan een relatief geringe gemiddelde temperatuurstijging tijdens reeds droge zomers extreem worden uitvergroot: door een structurele toename van de verdamping gaat extra bodemvocht verloren. Zodra vegetatie en bodem zijn uitgedroogd, wordt een veel kleiner deel van de zonnestraling omgezet in verdampingsenergie, waardoor de temperatuur dan versneld omhoog schiet.

Daarom zal op veel plaatsen op aarde een toename van (extreme) hittegolven wellicht de meest uitgesproken verandering in het weer zijn.

[Terug]

6. Hoe verandert het klimaat in Nederland?

Kort antwoord: In alle seizoenen gaat de gemiddelde temperatuur omhoog. In 2050 zal de temperatuur 1 tot 3 graden zijn gestegen t.o.v. de referentieperiode (1981-2010). Dit betekent dat de kans op hete zomers toeneemt en we vaker extreem zachte winters zoals die van 2013/2014 krijgen! In de winter valt bovendien 6 tot 30% meer regen. Vooral in de zomer is de kans op weersextremen aanzienlijk hoger, zowel hittegolven als stortbuien.

De gevolgen van de mondiale opwarming zijn ook in Nederland merkbaar, met een toename van de gemiddelde temperatuur in alle seizoenen.

Uit de nieuwste klimaatscenario’s volgt dat de extremen in het weer alleen maar verder zullen toenemen. De warmste en koudste dagen in het Nederlandse klimaat warmer nog sterker op dan het gemiddelde. Dit betekent dat de kans op extreme hitte en dus een absoluut hitterecord toeneemt.Zo komt een warmterecord boven 40 graden nog deze eeuw dichtbij. Hou er rekening dat we in de toekomst vaker met Spaanse hitte te maken kunnen krijgen!

Het aantal tropische dagen (maxima van 30 graden of meer) zal richting 2050 waarschijnlijk meer dan verdubbelen en richting 2100 behoort een verdrievoudiging zelfs tot de mogelijkheid. In het warmste scenario kunnen we dan rekenen op 22 dagen met maxima van 30 graden of meer in De Bilt. Landinwaarts lopen deze getallen nog hoger op!

Tegelijkertijd halveert het aantal vorstdagen (minima beneden het vriespunt) en zou het eind deze eeuw zover kunnen zijn dat het standaard is dat we geen enkele ijsdag (maxima benden het vriespunt) beleven. Ook een toename van het aantal dagen met een zuidwetsenwind draag hier aan bij. De zachte winter van afgelopen jaar is in dat geval dan de standaard geworden. De kans dat het deze eeuw nog tot een Elfstedentocht komt wordt kleiner en kleiner, maar ook uitschieters naar beneden t.o.v. de normaal blijven mogelijk! Rond 2050 zullen de winters vergelijkbaar zijn met de huidige winters van Bordeaux (Fr.). Ons huidige “maartweer” wordt in 2050 de standaard voor januari en februari.

In de winter zal het 6 tot 30% natter worden dan in de referentieperiode (1981-2010). Dit komt vooral doordat het aantal dagen met meer dan 10 mm regen flink toeneemt. Ook hier zien we de extremen dus toenemen. De extremen zijn hierin meer regionaal dan landelijk.

In de lente en de zomer neemt de kans op neerslagextremen toe, maar ook de kans op droogte. Dit lijkt tegenstrijdig, maar in het toekomstige Nederlandse klimaat zien we dat er in korte tijd meer neerslag valt. In een warmer klimaat pakken de zomerbuien zwaarder uit, maar tijdens droge periodes kan meer vocht verdampen en neemt de kans op droogte toe! Klein voordeel is dat bij hogere CO2-waarden de planten minder vocht verdampen waardoor de vegetatie langer met het aanwezige vocht uit de voeten kan.

[Terug]

7. Wat is het verband tussen klimaatverandering en El Niño & La Niña?

Kort antwoord: El Niño en La Niña zijn de uiterste toestanden van een natuurlijke klimaatschommeling rond de Grote Oceaan. Tot nog toe is er geen duidelijke aanwijzing dat klimaatverandering deze schommeling beïnvloedt. Wel kan klimaatverandering de effecten van zowel El Niños als La Niñas versterken.

El Niño en La Niña zijn de twee uitersten in de ‘El Niño Southern Oscillation’ (ENSO), een golfbeweging van Pacifische watermassa’s met verschillende temperaturen, die wordt gestuurd door passaatwinden en oceaanstromingen. In het geval van La Niña welt een grote hoeveelheid diep oceaanwater (met relatief lage temperatuur) omhoog, en in het geval van El Niño stagneert door de zon opgewarmd tropisch oceaanwater juist aan het wateroppervlak.

De afwisseling van El Niños en La Niñas is een natuurlijk klimaatfenomeen, dat mogelijk wordt gemaakt door de huidige ligging van de continenten en de omvang van de Grote Oceaan rond de evenaar.

Tot nog toe zijn er geen duidelijke aanwijzingen dat de huidige klimaatverandering een toename van El Niños of La Niñas teweeg brengt, danwel dat deze het patroon van de oscillatie (die van nature zeer grillig is) anderszins beïnvloedt.

Het is echter wel aannemelijk dat klimaatverandering de gevolgen -en vooral de schade- van El Niños en La Niñas versterkt.

Door de verhoogde concentratie broeikasgassen in de atmosfeer heeft het gehele klimaatsysteem van de aarde te maken met een positieve stralingsbalans: de hoeveelheid binnenkomende energie is groter dan de uitgaande energie – met als gevolg dat de gemiddelde temperatuur overal omhoog gaat.

Omdat deze opwarming vanuit de atmosfeer afzakt, neemt het temperatuurverschil tussen diep (lees: oud), koud oceaanwater en het warmere tropische oppervlaktewater toe. Dit vergroot dus ook de verschillen tussen warm en koud water tijdens El Niños en La Niñas. De schade rondom de respectievelijke centra van warm water (Australië, Indonesië, Filippijnnen tijdens La Niña en Peru, Mexico en de westelijke Andesregio tijdens El Niño) kan hierdoor nog hoger uitvallen, met de zware overstromingen in Queensland tijdens de La Niña van 2010 als mogelijk praktijkvoorbeeld.

Tegelijk kan klimaatverandering tijdens El Niños bovendien de droogteschade in Indonesië en Australië verergeren, met mogelijkheid op bijvoorbeeld herhaling van de mislukte tarweoogsten in Victoria en grootschalige bosbranden op Borneo.

Alhoewel de temperatuurgrafiek van La Niña-jaren (tijdelijke daling) en El Niño-jaren (tijdelijke stijging) geen directe invloed heeft op de stijgende trendlijn van de mondiale temperatuur, kunnen de versterkte El Niños wel zorgen voor versnelling van de klimaatverandering, doordat zulke extreme situaties positieve terugkoppelingen in het klimaatsysteem kunnen activeren.

Daarbij valt te denken aan verhoogde CO2-uitstoot door ontbossing op Borneo (mogelijk 40% totale jaarlijkse CO2-uitstoot tijdens El Niño van 1998) en albedo-terugkoppelingen door verhoogde ijssmelt bij nieuwe mondiale temperatuurrecords.

Tot slot is de kans dat krachtige La Niñas het tegenovergestelde doen, door koelere jaren negatieve albedo-terugkoppelingen activeren, als gevolg van de klimaatverandering juist kleiner. Hiertoe dient het jaar 2010 als praktijkvoorbeeld. Ondanks de ongekend krachtige La Niña brak dat jaar het tot dan toe geldende warmterecord van 2005. En aan het einde van de winter van 2010-2011 was de Arctische ijsuitbreiding kleiner dan ooit tevoren, zodat van remmende albedo-effecten geen sprake was – en de trend van afsmelting onverminderd voortzet.

[Terug]

8. Wat is het verband tussen klimaatverandering en orkanen?

Kort antwoord: Dat is vooralsnog niet goed duidelijk.

De huidige klimaatverandering leidt ook tot een langzame opwarming van de oceanen. Aangezien een hoge watertemperatuur een voorwaarde is voor de vorming van orkanen, is een toename van orkaanschade een reële mogelijkheid. Maar als de trends van de afgelopen decennia worden bekeken is het verband zwak – en ook klimaatmodellen bieden vooralsnog weinig zekerheid.

Er zijn modelstudies die aangeven dat er in een warmere wereld meer orkanen vormen en er zijn studies die aangeven dat het aantal orkanen gelijk blijft, maar dat de kracht van de orkanen toeneemt, met een grotere kans op orkanen uit de meest verwoestende buitencategorie. Daarnaast zouden orkanen door een opwarming van de oceanen ook steeds verder buiten de bekende risicogebieden kunnen voorkomen.

In al deze situaties zou klimaatverandering de totale schade van orkanen sterk kunnen vergroten, dus het onderwerp krijgt veel aandacht. Toch is de precieze relatief onzeker. Dat komt omdat de vorming van orkanen (vanuit tropische stormen) afhankelijk is van complexe meteorologische omstandigheden, die lastig zijn te voorzien.

De temperatuur van het oceaanwater moet boven 26 graden liggen, de atmosfeer moet instabiel zijn en laterale winden op grote hoogte moeten gering zijn in kracht, zodat de tropische stormen goed in verticale richting kunnen uitgroeien.

[Terug]

9. Nemen weergerelateerde natuurrampen toe?

Kort antwoord: Ja. Droge gebieden krijgen toenemend te maken met droogten en in natte gebieden intensiveert de neerslag – met verhoogd risico op overstromingen. Vooral de toename van weersextremen is verantwoordelijk voor maatschappelijke schade.

Door de versterking van het broeikaseffect neemt de totale hoeveelheid energie in het aardse klimaatsysteem toe, met klimaatverandering als gevolg. Dit leidt tot versterking van de algemene circulatie, waarbij wordt verwacht dat de verschillen tussen reeds overwegend droge en overwegend natte gebieden groter worden. Rond de intertropische convergentiezone (ITCZ) neemt de neerslag toe, waardoor de moesson meer regen kan brengen, met verhoogde kans op ernstige wateroverlast.

Met het toenemen van de verticale schaal van de algemene circulatie treden ook veranderingen op in positionering over de breedtegraden. Een noordelijke uitbouw van de Indische moesson, waarbij deze uitregent tegen de Himalaya en de Karakoram, kan leiden tot desastreuze overstromingen, zoals bleek tijdens de ongekende neerslag in het stroomgebied van de Indus in Pakistan, in de zomer van 2010.

Ten noorden en zuiden van het uiterste bereik van de ITCZ heeft de klimaatverandering juist een tegenovergestelde werking. Een dominante dalende luchtbeweging in combinatie met verhoogde verdamping lijkt aanleiding te geven tot de ontwikkeling van een (sterkere) noordelijke en zuidelijke ‘droogtegordel’, met risico op verwoestijning, misoogsten en algeheel afnemende landbouwproductiviteit.

Deze noordelijke droogtezone loopt van de oude ‘Dust Bowl’-staten in de VS en het Middellandse Zeegebied tot aan de Gobi-woestijn en het noordoosten van China. De zuidelijke droogtegordel omvat de regio’s rondom de Kalahari-woestijn en grote delen van Australië.

Los van de uitvergroting van de algemene circulatie lijkt klimaatverandering ook wereldwijd de kans op seizoensgebonden weersextremen (zoals hittegolven en bosbranden of extreme regenval, misschien orkanen) te vergroten, eveneens met verhoogd risico op natuurrampen. Extreme zomerse hittegolven kunnen grote schade veroorzaken aan landbouw en duizenden hittedoden tot gevolg hebben, zoals in 2003 in West-Europa en in 2010 in Rusland.

[Terug]

10. Krijgen we nog een Elfstedentocht?

Kort antwoord: Ja. De kans wordt elke 10 jaar kleiner, maar statistisch gezien moet het er toch nog van komen.

De vereiste omstandigheden voor een Elfstedentocht, minimaal 25 centimeter dik ijs over het gehele traject van bijna 200 kilometer Friese meren en kanalen, zijn alleen mogelijk tijdens zeer strenge winters. In de eerste 10 jaar van deze eeuw zijn deze omstandigheden niet bereikt, en met het gestaag oplopen van de gemiddelde wintertemperatuur wordt de kans elk decennium iets kleiner.

Desondanks valt het statistisch wel te verwachten dat de juiste samenloop van meteorologische omstandigheden ook in deze eeuw nog zal optreden, maar dan moet het wel snel gebeuren. Momenteel is de kans op een Elfstedentocht 15% per jaar, snel afnemend naar 2 procent in 2050!

Meer nog dan de trend in de gemiddelde temperatuur is de kans op typische ‘koude’ luchtdrukverdelingen daarbij van belang. Deze wordt in West-Europa bepaald door twee patronen in de luchtdrukverdeling, de Noord-Atlantische Oscillatie en de Arctische Oscillatie. Deze geven een indicatie van de kans op hogedrukgebieden boven Scandinavië, verreweg de belangrijkste voorwaarde voor echte vrieskou in Nederland.

Er is echter relatief weinig bekend over de invloed van de huidige klimaatverandering op deze drukverdeling – alhoewel sommige modellen suggereren dat we in Nederland nog iets vaker met westenwinden te maken krijgen. Dat zou slecht nieuws zijn voor de schaatsliefhebbers, aangezien bij westenwind in de winter doorgaans extra zachte lucht wordt aangevoerd.

Bij hoge druk boven Scandinavië en aanhoudende oostenwind kan Nederland te maken krijgen met zeer koude lucht uit Rusland of Siberië – en een aangroeiende ijsvloer.

Deze oostenwind zal in de toekomst echter steeds langer moeten aanhouden om een Elfstedentocht mogelijk te maken. Want juist in deze oostelijke ‘herkomstgebieden’ van onze koude lucht verloopt de klimaatverandering het snelst en schieten de wintertemperaturen duidelijk omhoog. Zelfs ‘Siberische kou’ zal in de toekomst in Nederland dus geen strenge vorst garanderen.

Op basis van IPCC-inzichten uit 2007 zou Nederland in de 21e eeuw nog kunnen rekenen op 4 winters met de juiste omstandigheden voor een Elfstedentocht. Op basis van voortschrijdend inzicht over de snelheid van de opwarming lijkt dat inmiddels echter een optimistische overschatting.

In elk geval zullen de Vereniging de Friese Elf Steden én de duizenden getrainde schaatsliefhebbers elk jaar scherp moeten blijven. Want als de vereiste kou dan toch nog een keer toeslaat, zou het wel heel erg zonde zijn als we die kans op een uniek sportevenement en volksfeest zouden laten wegglippen. Bovenal is daar een belangrijke taak weggelegd voor meteorologen. De komende eeuw duurt nog lang, maar de weerkundigen kunnen in praktijk in elk geval kijken of de vorstperiode nog een of twee weken aanhoudt…

[Terug]

Reacties zijn gesloten.